Wie op een WK schittert, zal voor altijd als voetballer worden herinnerd. Sommige spelers zijn zo vergroeid met het toernooi dat hun naam synoniem is geworden aan de wereldbeker. Dit zijn de tien meest legendarische voetballers die ooit het mondiale podium domineerden.
10. Lionel Messi (2006, 2010, 2014, 2018, 2022)

Na de magische winter in Qatar is er geen discussie meer mogelijk over de status van Messi. Hij verbrak nagenoeg elk record: de meeste WK-wedstrijden (26), de meeste minuten en hij is de enige speler die op vijf verschillende toernooien een assist gaf. In 2022 kroonde hij zijn carrière door Argentinië naar de wereldtitel te leiden, waarbij hij in elke ronde van de knock-outfase wist te scoren.
Met 13 WK-goals en zijn ongeëvenaarde invloed op het spel is hij de moderne toevoeging aan deze lijst van giganten. Messi bewees dat geduld en doorzettingsvermogen uiteindelijk worden beloond met de meest begeerde goudstaven in de sportwereld.
9. Roberto Baggio (1990, 1994, 1998)
Roberto Baggio was een aanvallende middenvelder die in eerste instantie opviel door zijn kapsel. Het leverde hem al snel de bijnaam ‘De Goddelijke Paardenstaart’ op.
Baggio werd in één klap wereldberoemd toen hij in 1990 het mooiste doelpunt van het toernooi scoorde. Hij ontwikkelde zich tot een complete voetballer: snel, behendig en met een dodelijk schot.
Op het WK van 1994 bracht hij Italië vrijwel eigenhandig naar de finale met beslissende goals in de knock-outfase. Dat hij de penalty mist in de finale tegen Brazilië is niet alleen een trauma voor hem, maar voor heel Italië.
8. Johan Cruijff (1974)

Je hoeft geen wereldkampioenschap te winnen om een WK-legende te worden. Zelf stelde de legendarische nummer 14 dat het juist omdat Oranje de finale in 1974 verloor hun faam nog groter werd. Het totaalvoetbal, waarvan Cruijff het gezicht werd, maakte wereldwijd een verpletterende indruk.
Aanvoerder Cruijff leidde met zijn fabelachtige techniek en passeerbewegingen het Nederlands elftal naar de finale in München. De discussie waarom het daar misging, zal waarschijnlijk nooit eindigen. Ook al speelde Cruijff maar op één toernooi, dit was genoeg om hem voor eeuwig tot de grootste smaakmakers van het WK te rekenen.
7. Paolo Rossi (1978, 1982)
Het verhaal van Rossi is dat van de gevallen held die terugkeert naar de absolute top. Na een schorsing wegens een omkoopschandaal werd hij vlak voor het WK van 1982 in genade aangenomen. De rest is geschiedenis.
Na een stroeve start ontplofte hij met een hattrick tegen het ‘onoverwinnelijke’ Brazilië van Sócrates. In de halve finale en finale bleef hij scoren, waardoor hij als topscorer eindigde en Italië de wereldtitel bezorgde. Van verguisde zondebok tot de nationale held van een hele natie in slechts een paar weken tijd.
6. Lothar Matthäus (1982, 1986, 1990, 1994, 1998)
Lothar Matthäus is een van de weinigen die aan vijf wereldkampioenschappen deelnam. In 1986 wist hij als mandekker Maradona bijna volledig te neutraliseren. In 1990 was hij als aanvoerder van ‘Die Mannschaft’ de grote ster op het middenveld.
Hij leidde Duitsland vol overtuiging naar de derde wereldtitel. Of hij nu als spelmaker of later als libero fungeerde, zijn winnaarsmentaliteit was ongeëvenaard. Hij hield decennialang het record voor de meeste WK-wedstrijden, totdat Lionel Messi hem in 2022 van de troon stootte.
5. Ronaldo (1994, 1998, 2002, 2006)
‘O Fenômeno’ beleefde alle uitersten van het WK-bestaan. De mysterieuze inzinking vlak voor de finale van 1998 is nog steeds een van de grootste raadsels uit de sportgeschiedenis. Maar Ronaldo knokte zich terug van zware knieblessures om in 2002 zijn gram te halen.
Brazilië werd wereldkampioen en Ronaldo topscorer met acht doelpunten. Op het WK van 2006 scoorde de inmiddels wat zwaardere spits genoeg om met 15 goals de WK-topscorer aller tijden te worden, een record dat later werd verbroken door de Duitser Miroslav Klose.
4. Franz Beckenbauer (1966, 1970, 1974)
‘Der Kaiser’ maakte op het WK van 1966 op 20-jarige leeftijd al indruk, hoewel hij in de finale tegen Engeland vooral bezig was met het schaduwen van Bobby Charlton.
Op het WK van 1970 speelde hij de halve finale tegen Italië legendarisch uit met een mitella na een gebroken sleutelbeen. Als aanvoerder mocht hij in 1974 eindelijk de wereldbeker in ontvangst nemen, nadat hij zijn team bij de hand nam om de vroege achterstand tegen Nederland om te buigen.
3. Zinédine Zidane (1998, 2002, 2006)
Zidane was de man van de grote momenten. In de finale van 1998 in eigen land werd hij een Franse godheid door twee keer raak te koppen tegen Brazilië. Hoewel 2002 een deceptie was, leidde hij Frankrijk in 2006 als een generaal opnieuw naar de finale.
Zijn laatste wedstrijd eindigde in mineur na de beruchte kopstoot, maar zijn genialiteit in de wedstrijden daarvoor was ongekend. Zidane speelde voetbal als een hypnotiserende dans; zijn techniek was zo verfijnd dat hij ondanks zijn rode kaart toch werd verkozen tot beste speler van het toernooi.
2. Diego Maradona (1982, 1986, 1990, 1994)

Maradona was meer dan een voetballer; hij was een religie. Het WK van 1986 was zijn persoonlijke meesterwerk. Hij leidde Argentinië naar de titel en scoorde met een lange rush tegen Engeland het mooiste doelpunt aller tijden. De hand van God en de voet van een genie in één wedstrijd.
Ondanks zijn demonen buiten het veld leidde hij een middelmatig Argentinië in 1990 opnieuw naar de finale. Zijn WK-carrière eindigde in 1994 met een positieve dopingtest, maar dat deed niets af aan zijn status. Maradona was de personificatie van branie en ongekende klasse.
1. Pelé (1958, 1962, 1966, 1970)

Als 17-jarig jochie veroverde Pelé de wereld met een hattrick in de halve finale en een fabelachtige goal in de finale. Hij is de enige speler in de geschiedenis die drie keer wereldkampioen werd.
In 1970 was hij de dirigent van het mooiste elftal dat de wereld ooit heeft gezien. Zijn passes, kopballen en overzicht maakten hem tot het symbool van het sambavoetbal. Pelé is de maatstaf waarlangs elke andere grootheid wordt gelegd; de man die voetbal tot de ‘Schoonheid van het Spel’ verhief.