In de jaren 20 van de vorige eeuw verboden de Verenigde Staten met de Volstead Act de productie en verkoop van alcohol. Niet dat er niets te drinken viel tijdens de Drooglegging; Amerikanen waren vaste stamgasten in de Mexicaanse en Canadese grenskroegen. Dichter bij huis werd de maffia ondertussen stinkend rijk met illegale dranksmokkel. De onbetwiste uitdager van de Prohibition was natuurlijk Al Capone.
In de puike serie Boardwalk Empire steelt, steekt, schiet en stompt de Brit Stephen Graham zich als een jong straatboefje een weg naar de absolute misdaadtop van Chicago. Robert De Niro vertolkte een even akelige als charmante Al Capone in Brian De Palma’s meesterwerk The Untouchables. Meer recentelijk reïncarneerde Tom Hardy de tragische eindjaren van Chicago’s misdaadkoning in de film Fonzo. Hoog tijd dus voor tien misdadig interessante weetjes over Amerika’s beroemdste gangster.
10. Al Capone kwam oorspronkelijk uit New York
Dat Al Capone zich in de roerige jaren twintig tot de misdaadkeizer van Chicago kroonde, stond niet meteen in de sterren geschreven. De jonge Alphonse zag het levenslicht op 17 januari 1899 in New York, als vierde van negen kinderen. Vader Gabriel (een kapper) en moeder Teresa (een naaister) waren hardwerkende Napolitaanse migranten die verlangden naar een beter leven op 95 Navy Street in de havenwijk van Brooklyn.
De jonge Al Capone was een veelbelovende leerling, maar worstelde toen al met een knoert van een autoriteitscomplex. Nadat hij op zijn veertiende een lerares in het gezicht sloeg, beëindigde de strenge katholieke school vroegtijdig zijn studiecarrière.
Na allerlei losse karweitjes merkte Johnny The Fox Torrio de mollige tiener op. Vriend en vijand prees The Fox voor zijn vernuft en uitstekend werkende grijze hersencellen. De geniale gangster zag meteen dat Capone een ruwe diamant was die met wat slijpwerk pas helemaal zou schitteren.
9. Al Capone verafschuwde zijn bijnaam Scarface
The Fat Boy from Brooklyn werkte zich snel op. Zoals vele andere schooldrop-outs leerde hij het klappen van de zweep bij welluidende straatbendes als de South Brooklyn Rippers, de Junior Forty Thieves, de Bowery Boys en uiteindelijk de notoire Five Points Gang van de voormalige bokser Paul Kelly in Manhattan.
Vanaf 1917 werkte Al Capone onder het goedkeurend oog van Frankie Yale, Johnny Torrio’s rechterhand in New York, als uitsmijter in de Harvard Inn op Coney Island. Daar incasseerde hij op een avond de drie markante littekens aan zijn linkergezichtshelft, die de pers later inspireerde tot de bijnaam Scarface.
Tijdens het onfortuinlijke voorval loerde de toen achttienjarige uitsmijter iets te gretig vanuit zijn portiek naar het zusje van de gangster Frank Galluccio. Na een schuine opmerking eiste een woeste Galluccio excuses. De ervaren maffiosi had al aardig wat borrels op en Al Capone stond nu ook niet bepaald bekend als een zenboeddhist, dus het akkefietje escaleerde razendsnel in een handgemeen. Galluccio trok daarbij een mes en stak Al Capone drie keer in het gezicht, wat goed was voor dertig hechtingen in het Coney Island Hospital. En dan had de jonge gangster nog geluk dat zijn opponent zo bezopen was; Galluccio verklaarde later dat hij eigenlijk op de halsslagader mikte.
Al Capone schaamde zich voor zijn verminkingen en loog dat hij de verwondingen opliep tijdens zijn oorlogsdienst in Frankrijk. IJdel als hij was, smeerde hij een hoop talkpoeder op zijn gezicht zodat de gezwollen kervingen minder blonken. De bijnaam Scarface waar de dagbladen hem mee tutoyeerden, verfoeide hij al helemaal en hij weigerde om langs zijn linkerkant gefotografeerd te worden. Handlangers en zakenpartners respecteerden hun chef als The Big Fellow. Intimi vleiden hun vriend met Snorky, wat verwees naar zijn onberispelijke klederdracht.
8. De juiste man op de juiste plaats
De stijlvolle Snorky had talent, zoveel was zeker. Maar bovenal beschikte Al Capone over een flinke portie geluk. In 1919 introduceerde Johnny Torrio hem bij Big Jim Colosimo, die al jaren met zijn maffia-organisatie The Outfit regeerde over de Italiaans-Amerikaanse onderwereld van Chicago. Torrio’s protegé bleek de geknipte kandidaat voor diens nieuwe bordeel Four Deuces. Toen in 1920 het alcoholverbod in werking trad, wilde de gewiekste Torrio meteen op de dranksmokkeltrein springen. De conservatievere Colosimo bleek minder overtuigd.
Geld en macht liepen blijkbaar dieper dan loyaliteit, want in mei 1920 legde Colosimo onverwachts het loodje. Naargelang wie je gelooft, hield Al Capone of Frankie Yale het dodelijke schietijzer vast. Torrio genoot niet lang van zijn nieuwe leiderschap. Na een mislukte moordaanslag keerde hij in 1925 terug naar zijn geboorteland Italië. The Outfit en de bijbehorende miljoenen dollars genererende dranksmokkel, kansspelen, afpersing en hoererij liet hij na aan zijn trouwe rechterhand: de toen zesentwintigjarige Al Capone.
7. Al Capone en The Outfit scoorden jaarlijks 100 miljoen dollar

Tegen het einde van de roaring twenties harkten Al Capone en The Outfit 100 miljoen dollar per jaar bij elkaar. Illegale alcoholverkoop domineerde de boekhoudingstabellen, maar afpersing, gokken en prostitutie sloeg het Italiaans-Amerikaanse misdaadsyndicaat ook nooit af. De immer piekfijn uitgedoste maffiabaas wapperde zelfs gretig met dollarbriefjes tijdens paardenraces en bewaarde daarbij nog zijn cool als hij even een anderhalf miljoen verloor.
Het was een publiek geheim dat Al Capone niet vies was van een afrekening hier en daar. Toen drie van zijn handlangers een coup planden, sloeg hij ze naar verluidt eigenhandig de schedel in met een baseballbat. De straten van Chicago kleurden geregeld rood door bendeoorlogen. Rivaliserende bendes vochten keihard voor hun afgebakende stadswijken, terwijl politie, politici en rechters zwichtten voor steekpenningen. De onbetwiste misdaadkoning ging jaren zijn gang, tot in oktober 1931 een rechtszaak voor belastingontduiking een einde aan zijn imperium maakte.
6. Al Capone kneedde zorgvuldig zijn flamboyante imago
Waarom spreekt Al Capone vandaag nog steeds zo tot onze verbeelding? Omdat hij al bij leven de legende oversteeg; een legende die hij overigens zorgvuldig kneedde. Zelfs in het buitenland haalde de gangster de kranten. The Big Fellow schuwde de media niet; integendeel, hij zat nooit verlegen om een sappige quote. Wat had hij tenslotte te vrezen? De gewone man op de straat lustte het drankverbod niet en na de beurskrach van 1929 smeekten mensen meer dan ooit om alcohol.
De politiek en politie had Snorky netjes in zijn zak. En als het tot een rechtszaak kwam, kocht hij de jury wel even om. Sure, and some of our best judges use my stuff, repliceerde hij op de vraag of hij daadwerkelijk drank sleet.
Daarbij: deed hij het volk eigenlijk geen gunst? Ninety percent of the people of Cook County drink and gamble and my offense has been to furnish them with those amusements, pochte hij. Al Capone profileerde zich graag als een moderne Robin Hood die soep uitdeelde aan de armen.

Tegelijkertijd stond The Outfit open voor alle rassen. Joden, zwarten, Polen of volbloed Amerikanen: iedereen mocht mee aan boord. De ruimdenkende Al Capone en zijn broer Ralph lanceerden zelfs als jazz-impresario’s de carrières van aanstormende muzikanten. Al kon hij soms dwingend zijn. Toen Al Capone Fats Waller op zijn verjaardagsfeest wilde, beval hij zijn mannen de jazzartiest te ontvoeren. Twee dagen later dook de ster weer op met een flinke kater en duizenden dollars drinkgeld.
5. Al Capone is nooit veroordeeld voor het Valentijnsdagbloedbad
In de roaring twenties heersten jazz en Tommyguns op de straten van Chicago. George Bugs Moran gold als Al Capone’s grootste rivaal. Samen met zijn Ierse North Side Gang heerste hij over het noorden van de stad, terwijl The Outfit het zuiden controleerde.
Op 14 februari 1929 verloor de Ierse bendeleider vijf van zijn topmannen. Huurmoordenaars in valse politie-uniformen maaiden Morans secondanten en twee toevallige aanwezigen neer met 72 kogels in een garage. Het Valentijnsdagbloedbad joeg een schokgolf door de stad, maar de opdrachtgever raakte nooit officieel bekend. Al Capone zat op die dag in Florida; een handig alibi, al kon niemand ooit zijn aandeel juridisch bewijzen.
4. The Untouchables speelden een verwaarloosbare rol bij Al Capone’s opsluiting
Met The Untouchables draaide Brian De Palma in 1987 een misdaadklassieker waarin Robert De Niro de show steelt als Al Capone, maar de held is natuurlijk Eliot Ness. De film vereeuwigde het beeld van de onkreukbare agent die het syndicaat oprolt.
De Palma baseerde zijn film op de memoires van de echte Eliot Ness. Blijkbaar zorgde Ness’ eigen geschiedenis voor enige overdrijving, want de bestseller neemt meerdere loopjes met de werkelijkheid. De Hollywoodiaanse lezing staat in schril contrast met de feiten; hoewel Ness onomkoopbaar was, waren zijn acties tegen de brouwerijen economisch gezien slechts speldenprikjes voor Capone.
3. Capone’s jarenlange belastingfraude betekende zijn ondergang
Voorjaar 1930 werd Al Capone officieel Public Enemy No. 1. Nog in maart dat jaar begon Eliot Ness aan zijn klopjacht. De invallen kostten de organisatie geld, maar uiteindelijk deed Al Capone’s jarenlange belastingontduiking hem de das om. De fiscus beet zich vast in zijn financiën en zijn creatieve boekhouding bleek uiteindelijk goed voor elf jaar cel.
2. Al Capone beleefde een rottijd in Alcatraz
In mei 1932 arriveerde Al Capone in de Atlanta U.S. Penitentiary, waar hij twee jaar in een luxecel leefde. Dat veranderde toen hij in 1934 verkaste naar het net geopende Alcatraz. Bij zijn aankomst riep Capone de directeur nog toe dat hij wist wie hij was, maar het lachen zou hem snel vergaan.
Capone’s Alcatraz-jaren waren zwaar. Na enkele jaren bekende hij schoorvoetend aan de gevangenisdirecteur: It looks like Alcatraz has got me licked. Hij werd zelfs een keer neergestoken met een schaar door een medegevangene. Bovendien zorgden syfilis en gonorroe voor een geleidelijke mentale aftakeling, wat leidde tot huilbuien en verwardheid.
1. Al Capone stierf compleet berooid
Toen Al Capone in november 1939 de gevangenis verliet, vreesde niemand dat hij zijn criminele activiteiten zou heropstarten; daar was hij psychisch niet meer toe in staat. Na zijn vrijlating werd hij behandeld in Baltimore. Hij testte nog als een van de eerste proefpersonen penicilline, maar de schade aan zijn zenuwstelsel was onomkeerbaar.
In 1946 concludeerden artsen dat hij de mentale leeftijd van een kind van twaalf had. De man die Chicago een decennium in zijn greep had, overleed op 25 januari 1947 op slechts achtenveertigjarige leeftijd aan een hartinfarct. Hij verliet de wereld als een geïsoleerde armoedzaaier. Slechts weinig vrienden verschenen op zijn bescheiden begrafenis. Voor zijn weduwe restten slechts enkele kruimels en de brieven die Snorky haar schreef vanuit zijn cel.