De mens vraagt zich al heel lang af of er buiten de aarde nog meer levende wezens in het heelal ronddolen. Sinds de opkomst van de radioastronomie en moderne SETI projecten luisteren wetenschappers en amateurs naar vreemde signalen uit de ruimte. Soms gaat het om radiopulsen, soms om vreemde patronen in licht, en soms zelfs om röntgenstraling.
Belangrijk detail: “mysterieuze signalen” betekent meestal niet “aliens”. Het betekent vooral dat een meting (nog) niet netjes in een bekend hokje past, of dat er te weinig data is om iets met zekerheid te zeggen.
Hieronder 10 signalen en fenomenen die ooit voor opgetrokken wenkbrauwen zorgden.
De opnames van de broers Judica-Cordiglia
In het begin van de jaren zestig beweerden de Italiaanse radioamateurs Achille en Giovanni Judica-Cordiglia dat ze allerlei vreemde radiosignalen uit de ruimte hadden ontvangen. Volgens henzelf waren het noodsituaties van Sovjet missies, met stemmen van kosmonauten in paniek.
Het probleem: onafhankelijk hard bewijs ontbreekt, en de verhalen passen in de bredere “lost cosmonauts” mythes die historisch slecht onderbouwd zijn. De opnames blijven vooral voer voor speculatie, niet voor een stevige conclusie.
Radiobron SHGb02+14a
SHGb02+14a is een kandidaat signaal dat drie keer is opgevangen rond 1420 MHz, in de zogeheten “waterhole” frequenties waar SETI graag naar kijkt. Wat het opvallend maakte, was de snelle frequentiedrift (8 tot 37 Hz per seconde). Als je dat als Doppler effect uitlegt, kun je spectaculaire getallen krijgen.
Maar precies daar zit de valkuil: bij dit soort zwakke, korte detecties is “interferentie, ruis, toeval of een glitch” vaak net zo plausibel. Het signaal is nooit overtuigend bevestigd als iets kunstmatigs, en het bleef een vreemde kandidaat in plaats van een doorbraak.
Signalen in het licht van sterren
Astronoom Ermanno Borra opperde dat een buitenaardse beschaving in theorie extreem snelle lichtpulsen zou kunnen sturen, die als een periodiek patroon in sterspectra zichtbaar worden. In 2016 publiceerden Borra en Trottier een analyse van miljoenen SDSS spectra, en vonden ze bij 234 sterren een periodieke modulatie die ze niet direct konden wegverklaren.
Ze noemen meerdere mogelijke verklaringen en bespreken ook ETI als hypothese, maar dat is nadrukkelijk niet “bewijs”. Dit soort claims vraagt om herhaalde bevestiging met andere instrumenten. Zonder die bevestiging blijft het een intrigerend, maar omstreden patroon in data.
Röntgenstraling uit de Perseus cluster

De Perseus cluster is een cluster van sterrenstelsels in het sterrenbeeld Perseus. Al vroeg in de röntgenastronomie bleek dit gebied een sterke röntgenbron te zijn. Later werd die emissie vaak gekoppeld aan processen in en rond het sterrenstelsel NGC 1275 en het hete gas in de cluster.
Dit is een mooi voorbeeld van een “mysterie” dat in de praktijk vaak betekent: nieuwe meetmethode, nieuwe puzzel. Niet aliens, maar astrofysica.
Een vreemd radiosignaal uit de richting van HD 164595
In 2015 meldde een team bij de Russische RATAN 600 radiotelescoop een kort, sterk radiosignaal uit de richting van ster HD 164595. De media deden waar media goed in zijn: “Zou dit aliens zijn?”
Daarna kwam het nuchtere deel. Het signaal was maar één keer gezien, door één telescoop, en bleek bij vervolgonderzoek het meest waarschijnlijk aardse interferentie. Geen herhaling, geen solide kandidaat, wel een les: één losse detectie is bijna nooit genoeg.
De Lorimer burst
De Lorimer burst (FRB 010724) is de eerste “Fast Radio Burst” die echt naam maakte. In 2007 werd hij ontdekt in archiefdata van de Parkes radiotelescoop: een extreem korte, heldere radiopuls van slechts milliseconden.
Sindsdien zijn er heel veel FRB’s gevonden. We weten nu dat ze meestal van buiten de Melkweg komen, maar de precieze oorzaak verschilt waarschijnlijk per bron en is lang niet altijd dezelfde.
Een repetitieve FRB
FRB 121102 was een doorbraak omdat hij zich herhaalt. Waar veel FRB’s maar één keer lijken op te flitsen, zijn van deze bron talloze bursts waargenomen. Dat maakte catastrofale éénmalige verklaringen minder waarschijnlijk.
Bovendien is FRB 121102 gelokaliseerd in een ver sterrenstelsel, en er is ook een aanhoudende radiosource in dezelfde omgeving gevonden. Dat wijst op een extreme omgeving rond een compact object, bijvoorbeeld een neutronenster (magnetar) in een ruige buurt. Het exacte verhaal is nog onderwerp van onderzoek, maar “repeater” was hier het sleutelwoord.
Ruimtegebulder
ARCADE 2 was een ballonexperiment (met een vlucht in 2006) dat de absolute helderheid van de radiolucht wilde meten. In de analyses kwam een opvallend resultaat terug: een extra diffuse radiobackground die sterker was dan je op basis van bekende bronnen verwachtte. In populaire samenvattingen kreeg dat al snel een bijnaam als “space roar”.
Is het vandaag helemaal opgelost? Niet echt eenduidig. Er bestaan verklaringen en modellen, maar dit soort diffuse achtergrond is moeilijk, juist omdat je alles moet aftrekken: instrument, atmosfeer, melkweg, bronnenpopulaties. Het blijft een interessante puzzel in de radioastronomie.
Het Wow-signaal

‘Wow!!’ schreef astronoom Jerry Ehman op 15 augustus 1977 naast de uitdraai van een sterk, smalbandig radiosignaal dat precies 72 seconden duurde. Het leek uit de richting van het sterrenbeeld Boogschutter te komen en had eigenschappen die men bij een kunstmatig signaal zou verwachten.
En toen: niets. Nooit meer gezien, ondanks veel pogingen. Het Wow-signaal is daardoor beroemd geworden als hét voorbeeld van een kandidaat die net genoeg “gek” is om te blijven hangen, maar net te weinig bewijs heeft om ergens te landen.
Tabby’s ster
Met de Kepler ruimtetelescoop werden in 2015 merkwaardige dips in de helderheid van ster KIC 8462852 (Tabby’s ster) zichtbaar. Sommige dips waren extreem diep en bovendien onregelmatig. Dat is precies het soort data waar het internet spontaan “Dyson sphere!” bij roept.
Nader onderzoek met metingen op meerdere golflengtes wees juist richting iets veel aardser (nou ja, “aardser”): stof. Als het dimmen sterker is in blauw licht dan in rood licht, past dat beter bij stofdeeltjes dan bij een massief object. NASA publiceerde daar ook expliciet over. Daarmee is het verhaal niet “100% klaar”, maar het wijst wel stevig weg van megastructuren en richting stofwolken of stofrijke structuren rond de ster.