Elke verkiezing komen dezelfde trucs voorbij. Politici beloven wonderen, halen uit naar tegenstanders of strooien met cijfers waar niemand naar vraagt. Wie goed luistert, hoort telkens dezelfde patronen terugkomen, argumenten die overtuigend klinken maar bij nader inzien weinig voorstellen.
1. Wij zijn de enigen die voor u opkomen
Klassiek zwart-witdenken. De boodschap: kies je niet voor ons, dan sta je er alleen voor. In werkelijkheid behartigen de meeste partijen wel degelijk jouw belangen, alleen op hun eigen manier en met andere accenten.
De PVV van Geert Wilders profileert zich graag als de enige partij die opkomt voor “de gewone Nederlander”, vooral rond migratie. Andere partijen worden dan weggezet als onderdeel van het establishment. Maar ook partijen als de SP of BBB claimen die rol, dan weer voor arbeiders, dan weer voor boeren.
2. Onze tegenstander wil dit, dus is diegene slecht
Een klassieke stroman: het standpunt van de tegenstander wordt overdreven of verdraaid, zodat het makkelijker af te schieten is. Wat je hoort is dan niet het echte standpunt, maar een karikatuur ervan.
Tijdens de Amerikaanse verkiezingscampagne van 2020 beweerde Donald Trump herhaaldelijk dat Joe Biden de politie wilde “defunden”. Verschillende factcheckers stelden vast dat Biden dat standpunt nooit had ingenomen en het juist expliciet afwees. In Nederland gebeurt hetzelfde: D66 wordt door rechtse partijen weleens weggezet als voorstander van “open grenzen”, terwijl het eigen migratiebeleid van de partij een stuk genuanceerder ligt.
3. Kijk wat we allemaal hebben bereikt
Politici presenteren succesverhalen zonder het volledige plaatje te tonen. Trots zijn mag, maar vaak ontbreekt de context. Wat zijn de gevolgen op langere termijn, of voor groepen die minder in beeld zijn? Dat blijft geregeld onderbelicht.
Mark Rutte wees als premier vaak op het economisch herstel na de eurocrisis. Tegelijkertijd nam in diezelfde periode de flexibilisering van de arbeidsmarkt toe, met gevolgen voor de zekerheid van vooral jongeren en zzp’ers. Die keerzijde kwam in de succesverhalen zelden aan bod.
4. De gewone Nederlander wil dit
Alsof er zoiets bestaat als “de gewone Nederlander”. De term klinkt krachtig, maar is in feite een leeg begrip. Het zegt vooral iets over wie de politicus hoopt aan te spreken, niet over wie er precies wordt bedoeld.
Caroline van der Plas gebruikt de term geregeld, vaak in contrast met “de elite in Den Haag”. Maar wie die gewone Nederlander dan precies is, de boer, de onderwijzer, de bouwvakker, blijft in het midden. Daardoor functioneert het begrip vooral als containerbegrip waar iedereen zich in kan herkennen.
5. We moeten nu ingrijpen, anders gaat het mis
Een angstappel. Door een doemscenario te schetsen, proberen politici snel steun af te dwingen. Soms is haast inderdaad geboden, maar angst is zelden een goede raadgever bij het beoordelen van beleid.
Tijdens de opvangcrisis riepen sommige politici dat Nederland “overspoeld” dreigde te raken als de grenzen niet zouden sluiten. De beelden bij het aanmeldcentrum in Ter Apel werden daarbij gebruikt om een gevoel van acute chaos te versterken, terwijl experts vooral wezen op structurele knelpunten in de opvangcapaciteit en op afspraken binnen de Europese Unie.
6. Het is de schuld van het vorige kabinet
Handig, want zo hoef je zelf geen verantwoordelijkheid te nemen. Problemen ontstaan zelden van de ene op de andere dag, meestal zijn ze het gevolg van jarenlange keuzes. Afschuiven klinkt misschien logisch, maar is vaak vooral een gemakkelijke uitweg.
Bij de Belgische energiecrisis van 2022 wees premier Alexander De Croo naar eerdere regeringen voor het ontbreken van voldoende kerncentrales. Critici merkten op dat ook beslissingen van zijn eigen kabinet, zoals het trage tempo van de energietransitie, aan het probleem bijdroegen.
7. De cijfers liegen er niet om
Cijfers klinken indrukwekkend, maar zonder bron of context zeggen ze weinig. Een politicus die roept dat de werkloosheid daalt, vertelt niets over het soort banen dat ontstaat, in welke regio’s dat gebeurt of wie er nog steeds buiten de boot valt.
Koopkrachtcijfers van het Centraal Planbureau zijn daar een goed voorbeeld van. Het CPB rekent met gemiddelden en medianen op basis van huishoudens die hun baan behouden en waarvan loon en prijzen zich exact ontwikkelen zoals voorspeld. Voor individuele huishoudens, zoals mensen met een uitkering of zonder cao, kan de werkelijkheid daar behoorlijk van afwijken, ook als een partij trots een positief gemiddelde cijfer presenteert.
8. Wij zijn tegen de elite
Een veelgebruikt frame: jezelf afzetten tegen een vage bovenlaag van machtige mensen. Maar veel zelfverklaarde anti-elitepartijen zitten zelf al jaren in de politiek of hebben nauwe banden met de gevestigde orde. Het klinkt rebels, maar is niet altijd wat het lijkt.
Forum voor Democratie profileerde zich lange tijd als anti-elite en anti-establishment, met partijleider Thierry Baudet als boegbeeld. Baudet promoveerde in 2012 aan de Universiteit Leiden en is intussen al bijna tien jaar een bekend gezicht in de Tweede Kamer, al is hij sinds 2025 niet langer lijsttrekker van zijn partij. “Tegen de elite” zijn en er zelf al lang deel van uitmaken, sluiten elkaar in de praktijk vaak niet uit.
9. Onze plannen kosten niks extra’s
Een loze belofte, want bijna alles kost geld. Lagere belastingen, gratis kinderopvang en meer agenten op straat kunnen niet allemaal tegelijk zonder dat iemand ervoor betaalt. Meestal komt dat geld ergens anders vandaan, of wordt de rekening doorgeschoven naar later.
Verkiezingsprogramma’s die door het Centraal Planbureau worden doorgerekend, laten dat mechanisme goed zien: iedere lastenverlichting op het ene vlak moet elders in het programma worden gedekt, via bezuinigingen, hogere belastingen op andere posten of extra staatsschuld. Een partij die beweert dat plannen “niks extra’s kosten”, verzwijgt meestal waar die dekking vandaan komt.
10. Wij luisteren tenminste naar de mensen
Luisteren is op zich goed. Maar wie alleen hoort wat goed uitkomt, doet in feite hetzelfde als de rest. Het gaat erom wat er met die signalen wordt gedaan. Alleen zeggen dat je luistert, is makkelijk. Echte verandering vraagt meer.
Na de toeslagenaffaire beweerden vrijwel alle partijen dat ze voortaan beter naar burgers zouden luisteren. Toch bleek later, tijdens de parlementaire enquête naar de gaswinning in Groningen, dat signalen van Groningers jarenlang genegeerd waren, ook door partijen die zeiden dat ze wel degelijk luisterden.
De trucjes zijn niet nieuw en ze verdwijnen ook niet. Maar wie ze eenmaal herkent, hoort in een verkiezingscampagne net iets scherper wat er wél en niet wordt gezegd. Dat is geen garantie voor een betere keuze, maar wel voor een keuze die minder op sentiment en meer op inhoud berust.
