Inflatie is een stijging van het algemene prijspeil in een economie. In Europa wordt er beleid gevoerd om een lage inflatie van rond de 2% te handhaven. Helemaal geen inflatie is niet wenselijk, aangezien er dan te veel geld wordt opgepot.
Maar er zijn momenten geweest in de geschiedenis waarin de inflatie volledig uit de hand is gelopen: hyperinflatie. In deze periodes is de geldontwaarding zo extreem dat een brood in prijs kan verdubbelen terwijl je bij de bakker in de rij staat. In dit artikel lees je over de 10 ergste hyperinflaties uit de geschiedenis.
10. Guinee (2000s)
De economische problemen in Guinee werden aan het begin van deze eeuw verergerd door een groot gebrek aan buitenlandse valuta. In 2002 reageerde de centrale bank door simpelweg te veel geld bij te drukken. Hierdoor kelderde de waarde van de munt razendsnel. Op een gegeven moment was 10.000 francs nog maar een fractie van een dollar waard. Zonder stabiele munt werd het voor de burgers bijna onmogelijk om nog in hun basisbehoeften te voorzien.
9. Sao Tomé (2000s)
De valuta van Sao Tomé en Principe is de dobra. De munt is door de jaren heen continu gedevalueerd. In 1996 en 2008 moesten er telkens nieuwe biljetten worden geïntroduceerd om de inflatie bij te houden. Waar in 1996 het biljet van 50.000 dobras nog het hoogst was, moest daar twaalf jaar later al een biljet van 100.000 dobras aan worden toegevoegd.
8. Indonesië (1990s)
De Aziatische financiële crisis van 1997 had verwoestende gevolgen voor de Indonesische roepia. Vóór de crisis was de koers relatief stabiel, maar binnen een jaar tijd kelderde de waarde van de munt naar een dieptepunt van bijna 17.000 roepia per dollar. In plaats van de munt te herwaarderen, koos de regering ervoor om steeds grotere biljetten te drukken, zoals dat van 100.000 roepia. Deze economische chaos speelde een grote rol bij de val van president Soeharto.
7. Iran (1970s – heden)
Sinds de Islamitische Revolutie van 1979 kampt de Iraanse rial met enorme problemen. Doordat kapitaal op grote schaal het land ontvluchtte, daalde de waarde drastisch. In 1978 kreeg je voor één dollar nog zo’n 71 rial, maar aan het eind van de vorige eeuw was dat al gestegen naar bijna 9.500 rial. De Iraanse economie heeft het nog steeds erg moeilijk en de inflatie blijft een voortdurend punt van zorg voor de bevolking.
6. Brazilië (1980s – 1990s)
Brazilië kende een decennium van extreme inflatie waarbij de prijzen soms met 80% per maand stegen. De regering probeerde de crisis te bezweren door keer op keer een nieuwe munteenheid te introduceren. De cruzeiro werd vervangen door de cruzado, die weer werd vervangen door de cruzeiro real, totdat in 1994 eindelijk de real werd ingevoerd. Deze laatste munt bracht de broodnodige stabiliteit terug in de Braziliaanse economie.
5. Joegoslavië (1990s)

Tijdens de Balkanoorlog in de jaren 90 bereikte de Joegoslavische hyperinflatie ongekende hoogten. In slechts drie jaar tijd stegen de prijzen met maar liefst 40.000%. De regering voerde de ene na de andere valutahervorming door. In 1993 werd zelfs één nieuwe dinar ingewisseld voor één miljoen oude dinars. Het was een wanhopige en uiteindelijk vruchteloze poging om de economie te redden.
4. Duitsland (1920s)

Na de Eerste Wereldoorlog kwam Duitsland in een spiraal van hyperinflatie terecht. Op het dieptepunt in 1923 stegen de prijzen wekelijks meer dan vijfvoudig. Mensen kregen hun loon uitbetaald in koffers vol geld en moesten dit direct uitgeven omdat het een uur later al minder waard was. Kinderen speelden letterlijk met stapels bankbiljetten omdat het papier minder waard was dan speelgoed. De crisis eindigde pas toen de Rentenmark werd ingevoerd.
3. Griekenland (1940s)
Tijdens de bezetting in de Tweede Wereldoorlog beleefde Griekenland een totale economische instorting. In 1944 werd het hoogste biljet van 100 miljoen drachme gedrukt. De inflatie was zo extreem dat bij een hervorming in datzelfde jaar één nieuwe drachme werd ingewisseld voor maar liefst 50 miljard oude drachmen. De Griekse bevolking leed zware honger omdat geld simpelweg niets meer waard was.
2. Zimbabwe (2000s)

Het voorbeeld van Zimbabwe is legendarisch in de moderne geschiedenis. Op het hoogtepunt was de inflatie 79 miljard procent per maand. Het beruchte biljet van 100 biljoen (100.000.000.000.000) dollar is een symbool geworden voor deze crisis. Mensen moesten kruiwagens vol geld meenemen om één brood te kopen. Uiteindelijk schafte het land de eigen munt af en stapte het over op buitenlandse valuta zoals de Amerikaanse dollar.
1. Hongarije (1945 – 1946)

De allerergste hyperinflatie ooit vond plaats in Hongarije na de Tweede Wereldoorlog. De prijzen verdubbelden elke 15 uur. De hoogste coupure die werd gedrukt was het biljet van 100 triljoen pengő. De inflatie was zo absurd dat het totaal onmogelijk was om nog normaal handel te drijven. In 1946 werd de pengő vervangen door de forint, waarbij de wisselkoers bestond uit een 4 met 29 nullen aan pengő’s voor één forint.