Wie zakt voor het CBR-theorie-examen, kent meestal echt wel de verkeersborden. Het venijn zit in de details: situaties waarin twee regels elkaar lijken tegen te spreken, of waarin één woord in de vraag het verschil maakt tussen goed en fout. Deze tien regels zorgen jaar in jaar uit voor de meeste struikelblokken.
1. Rechtdoor gaat voor, ook voor voetgangers op dezelfde weg
Sla je af naar links of rechts en loopt er een voetganger op diezelfde weg rechtdoor? Dan moet die voetganger voorgaan. Kandidaten vergeten deze regel het snelst zodra er geen zebrapad op straat ligt, want dan lijkt het net alsof de voorrang vervalt.
Dat is een misvatting. De regel geldt voor alle verkeersdeelnemers die zich op de weg bevinden waar jij vandaan komt of naartoe gaat. Loopt de voetganger juist in de zijstraat waar jij inslaat en wil hij haaks op jouw rijrichting oversteken, dan heeft hij zonder zebrapad geen voorrang.
2. Bij een uitritconstructie gaat al het overige verkeer voor
Rijd je een weg op via een verlaagde trottoirband of een doorlopend voetpad, dan voer je een bijzondere manoeuvre uit. De hoofdregel is streng: je laat dan al het overige verkeer voorgaan.
Dat geldt niet alleen voor auto’s en fietsers, maar net zo goed voor voetgangers van links en van rechts. Veel kandidaten verwarren een uitritconstructie nog met een gewone gelijkwaardige kruising, terwijl het onderliggende principe compleet anders is.
3. Waar een bromfiets op de weg hoort
Met een gele kentekenplaat wissel je als bromfietser voortdurend van plek. Binnen de bebouwde kom rijd je in principe op de rijbaan met een maximum van 45 kilometer per uur, tenzij er een verplicht fiets/bromfietspad ligt: dan geldt daar 30 kilometer per uur.
Buiten de bebouwde kom verhuist de bromfiets naar het fiets/bromfietspad zodra dat aanwezig is, met een limiet van 40 kilometer per uur. Ontbreekt dat pad, dan blijf je op de rijbaan rijden. Het doorelkaar halen van deze snelheden en plekken kost jaarlijks veel kandidaten hun diploma. Niet nodig want gerichte oefening op TheorieIQ helpt je om alle regels foutloos toe te passen.
4. Trams hebben bijna altijd voorrang op een gelijkwaardig kruispunt

Op een gelijkwaardig kruispunt gaat verkeer van rechts normaal gesproken voor. Een tram vormt daar een nadrukkelijke uitzondering op: die heeft op zo’n kruispunt altijd voorrang, ook als hij van links komt of zelf afslaat.
Alleen wanneer er verkeerslichten, voorrangsborden of haaientanden staan, moet de trambestuurder zich aan die tekens houden. Twijfel je tijdens het examen, denk dan aan de massa van een tram en geef hem simpelweg de ruimte.
5. Inhalen vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats mag nooit
Een van de strengste verbodsbepalingen in het reglement: je mag een ander voertuig nooit inhalen vlak voor of op een zebrapad.
De reden is simpel. Je zicht op overstekende voetgangers wordt door het in te halen voertuig volledig geblokkeerd. Op het examenscherm oogt de situatie soms overzichtelijk, maar dit is een absolute regel zonder uitzonderingen.
6. Haaientanden gelden alleen voor bestuurders
Haaientanden op de weg verplichten je om voorrang te verlenen aan bestuurders op de kruisende weg. Het cruciale woord daarin is bestuurders.
Een voetganger geldt volgens de wet namelijk niet als bestuurder. Staan er alleen haaientanden en steekt een voetganger van links of rechts over op een gelijkwaardige kruising, dan hoef je hem in principe niet voor te laten gaan. Pas een zebrapad verandert dat.
7. Bij bijzondere manoeuvres gaat iedereen voor
Wegrijden uit een parkeervak, een U-bocht maken of achteruitrijden: het zijn allemaal bijzondere manoeuvres. De hoofdregel is daarbij hard, je laat al het overige verkeer voorgaan.
Ook voetgangers vallen daaronder. Kandidaten denken vaak dat ze alleen kruisend snelverkeer voorrang moeten geven, maar bij een bijzondere manoeuvre vervalt elke gewone voorrangsregel.
8. Het verschil tussen reactieafstand, remafstand en stopafstand
Het CBR vraagt regelmatig naar de exacte stopafstand. De reactietijd van een mens ligt gemiddeld rond de één seconde, en de reactieafstand is de afstand die je in die seconde aflegt voordat je daadwerkelijk gaat remmen. Tel je daar de remafstand bij op, de afstand die je voertuig nodig heeft om echt stil te staan, dan heb je pas de totale stopafstand.
9. Voorsorteren op de scooter bij links afslaan
Wil je links afslaan op een rijbaan met tweerichtingsverkeer, dan sorteer je als bestuurder van een bromfiets voor tegen de as van de weg, oftewel de middenstreep.
Gaat het om een eenrichtingsweg, dan sorteer je juist helemaal aan de linkerkant van de rijbaan voor. Veel kandidaten sorteren uit gewoonte altijd tegen het midden, wat op een eenrichtingsweg simpelweg fout is.
10. Het verschil tussen een verplicht fietspad en een fiets/bromfietspad
Bord G11 toont alleen een fiets en duidt een verplicht fietspad aan. Bord G12a toont een fiets én een bromfiets en duidt een verplicht fiets/bromfietspad aan. Ze lijken op elkaar, maar de regels verschillen compleet.
Met een bromfiets mag je nooit met draaiende motor op een verplicht fietspad rijden dat alleen met bord G11 is aangeduid. Zie je zo’n blauw bord met enkel een fiets erop, dan hoor je met de bromfiets op de rijbaan thuis, hoe druk die weg ook mag zijn.
Wat deze tien regels met elkaar gemeen hebben, is dat ze niet draaien om kennis van losse borden, maar om het combineren van regels in een concrete situatie. Wie voetgangers, bromfietsers en trams in de juiste volgorde leert zien, haalt de meeste winst uit het theorie-examen nog vóórdat de eerste vraag in beeld komt.
