We maken ons vaak druk over de enorme invloed van het Engels op onze eigen taal. Toch valt dat in de cijfers behoorlijk mee (slechts acht procent van onze woorden komt daar vandaan). De Romaanse talen hebben met ruim vijftig procent een veel grotere vinger in de pap. De echte verrassing zit hem echter in de omgekeerde weg.
Eeuwenlang was het Nederlands de gevende partij en het Engels de dankbare ontvanger. Er zijn zeker vijftienhonderd van onze termen in het Engels zijn beland. Dat begon al in de elfde eeuw toen Vlaamse wevers en dijkenbouwers naar Groot-Brittannië trokken.
Onze kolonisten in Amerika zorgden later voor een tweede golf aan exportwoorden. Veel van die termen zijn zo diep geworteld dat een Amerikaan niet eens beseft dat hij eigenlijk een mondje Nederlands spreekt.
1. Boss
Het woord “boss” klinkt inmiddels door en door Amerikaans. De werkelijke oorsprong ligt echter bij het Nederlandse “baas”. Rond 1640 introduceerden Nederlandse kolonisten in Nieuw-Amsterdam de term bij hun Engelstalige buren.
In die periode zocht men een alternatief voor het beladen woord “master”. Dat woord had door de slavernij een nare bijsmaak gekregen. Boss klonk een stuk neutraler en egalitairder voor de gewone werkman. Inmiddels kom je variaties van dit kleine woordje in meer dan vijftig talen tegen (van het Zweedse “bas” tot het Koreaanse “boseu”).
2. Cookie

Wie een Amerikaan om een “cookie” hoort vragen, luistert eigenlijk naar een verbastering van “koekje”. In de begindagen van New York werden deze baksels massaal uitgedeeld bij speciale gelegenheden.
De Engelse taal nam de term gretig over en paste de spelling aan voor hun eigen uitspraak. Terwijl de Britten nog vasthouden aan hun “biscuit” (wat via het Frans uit het Latijn komt), hebben de Amerikanen de Nederlandse invloed volledig omarmd.
3. Santa Claus

De vrolijke man in het rode pak is een geëxporteerde versie van onze eigen Sinterklaas. Kolonisten in de Nieuwe Wereld hielden vast aan hun tradities en de Engelse buren hoorden daar “Santa Claus” in. De eerste officiële vermelding van deze specifieke naam verscheen in 1773 in een krant uit New York.
Schrijver Washington Irving gaf de figuur in de negentiende eeuw zijn definitieve plek in de Amerikaanse cultuur. De statige bisschop veranderde langzaam in de dikke verschijning die we nu kennen. Zelfs de namen van de rendieren wijzen direct naar onze taal. Donner en Blitzen zijn simpelweg onze eigen donder en bliksem in een lichte vermomming.
4. Landscape
In de zeventiende eeuw was een natuurgetrouw landschap in de schilderkunst vaak niet meer dan een achtergrond voor religieuze scènes. Nederlandse meesters veranderden dat beeld volledig en maakten van het “landschap” een genre op zich. Engelse kunsthandelaren merkten dit op en importeerden rond 1600 zowel de doeken als de naam.
De invloed van onze schilderkunst was zo groot dat de term wereldwijd de standaard werd. Het woord bestaat uit “land” en het achtervoegsel “-schap” (verwant aan het Engelse “-ship”). Het was een technisch keerpunt dat de manier waarop de kunstwereld naar de natuur kijkt voorgoed veranderde. Geen enkele taal kon destijds om deze Nederlandse artistieke dominantie heen.
5. Apartheid

Niet elk geëxporteerd woord draagt een vrolijke lading met zich mee. Apartheid is een term uit het Afrikaans (een directe dochter van het Nederlands) die wereldwijd een symbool van uitsluiting werd. De opbouw is simpel: het woord “apart” met de bekende uitgang “-heid”.
Het beleid werd in 1948 officieel ingevoerd in Zuid-Afrika. Tegenwoordig gebruikt men de term in het Engels voor elke vorm van systematische segregatie. Het laat zien hoe taal ook de donkere kanten van de geschiedenis onvergetelijk maakt.
6. Coleslaw

De bekende Amerikaanse salade “coleslaw” is niets anders dan onze vertrouwde koolsla. Nederlandse kolonisten namen het recept mee en de naam bleef simpelweg hangen. Veel Amerikanen denken onterecht dat “cole” een verbastering is van “cold”.
Het is een klassiek voorbeeld van hoe een onbekend woord wordt aangepast aan iets wat mensen al begrijpen. In werkelijkheid proef je dus de Nederlandse keuken in een Amerikaanse jas. Het recept is door de eeuwen heen nauwelijks veranderd. Koolsla bleef koolsla; ook aan de andere kant van de oceaan.
7. Yacht

Een jacht was oorspronkelijk een “jachtschip” (een vaartuig dat snel genoeg was om piraten achterna te zitten). De Engelsen namen het woord over toen de Nederlandse vloot de wereldzeeën domineerde. De term stamt af van het Middelnederlandse “jaghte”.
Koning Charles II kreeg in 1660 zo’n schip cadeau van de stad Amsterdam en was direct onder de indruk van de techniek. De term bleef daarna hangen in het Engelse vocabulaire. Inmiddels associëren we het woord vooral met extreme luxe en minder met de oorspronkelijke achtervolgingen op zee. Het blijft een symbool van rijkdom op het water.
8. Dollar

De naam van de machtigste munteenheid ter wereld komt van het Nederlandse “daalder”. Deze zilveren munt werd veel gebruikt in de Amerikaanse koloniën voordat er een eigen munt bestond. De daalder was op zijn beurt weer afgeleid van de Boheemse “Joachimsthaler“.
Bij het kiezen van een eigen munteenheid wezen de Amerikanen de Britse pond bewust af. De dollar klonk vertrouwd en had geen enkele associatie met de bezetter van toen. Thomas Jefferson speelde een hoofdrol in de uiteindelijke invoering van de munt in 1786. Zo werd een stukje Nederlandse handelsgeest de basis van de wereldeconomie.
9. Spook

In de negentiende eeuw dwaalde ons “spook” het Engelse taalgebied binnen. Aanvankelijk werd de term alleen gebruikt voor geesten en schimmen uit oude verhalen. Later kreeg het woord in de spionagewereld een heel andere betekenis.
10. Booze

De informele term voor alcohol (booze) stamt waarschijnlijk af van het Middelnederlandse “būsen”. Dit betekende simpelweg stevig drinken. De term verscheen al rond de dertiende eeuw in het Engels.
Nederlandse zeelieden hadden een reputatie in de internationale havens en hun vocabulaire werd snel opgepikt door collega’s. Het woord is sindsdien stevig verankerd in de Engelse spreektaal. Afgeleiden zoals “boozy” worden nog dagelijks gebruikt in pubs over de hele wereld. Het is een blijvende herinnering aan onze roerige maritieme geschiedenis.
Onze invloed op het Engels stopt niet bij deze tien voorbeelden. De lijst is lang (denk aan woorden als skipper, freight of iceberg). Elke keer dat een Amerikaan zijn cookies eet of over zijn boss praat, spreekt hij onbewust een beetje Nederlands.