Het Amerikaanse Foreign Service Institute traint al zeventig jaar diplomaten in vreemde talen. Op basis van die ervaring heeft het instituut talen ingedeeld in categorieën, van makkelijk tot onmogelijk. Voor een Engelstalige kost Spaans leren ongeveer 600 uur. Mandarijn? Reken op 2.200 uur intensieve studie. Voor Nederlanders liggen de verhoudingen iets anders – Duits is voor ons een fluitje van een cent, terwijl talen zonder Indo-Europese wortels een stuk lastiger worden. Dit zijn de tien talen die de meeste leerlingen tot wanhoop drijven.
1. Mandarijn – Tonen, tekens en eindeloos geheugenwerk

Mandarijn wordt consequent genoemd als de moeilijkste taal ter wereld voor sprekers van Europese talen. De obstakels beginnen bij de uitspraak: Mandarijn is een toontaal met vier tonen plus een neutrale toon. Het woord “ma” kan moeder, hennep, paard of schelden betekenen, afhankelijk van de toonhoogte. Voor oren die gewend zijn aan talen waarin toon slechts emotie uitdrukt, is dit een fundamentele herbedrading van het brein.
Dan het schrift. Om een Chinese krant te lezen heb je kennis nodig van ongeveer 3.000 tot 4.000 karakters. Voor volledige geletterdheid loop dat op tot 6.000.
Elk karakter moet individueel worden gememoriseerd; er is geen alfabet dat je helpt onbekende woorden te ontcijferen. De karakters hebben geen fonetische component – je kunt niet “raden” hoe iets wordt uitgesproken.
Het FSI schat dat Engelstaligen 2.200 uur nodig hebben om een professioneel werkniveau te bereiken, meer dan drie keer zoveel als voor Spaans of Frans.
2. Japans – Drie schriftsystemen, oneindig veel beleefdheidsvormen

Japans combineert de moeilijkheden van Mandarijn met een unieke grammaticale structuur. Het schrift bestaat uit drie systemen: hiragana (46 tekens voor Japanse woorden), katakana (46 tekens voor leenwoorden) en kanji (de Chinese karakters, waarvan je er minstens 2.136 moet kennen voor basisgeletterdheid). Die kanji hebben vaak meerdere uitspraken: een Japanse lezing (kunyomi) en een Chinese lezing (onyomi), afhankelijk van de context.
De grammatica wijkt radicaal af van het Nederlands. Zinnen volgen een onderwerp-lijdend voorwerp-werkwoord volgorde: “Ik sushi eet” in plaats van “Ik eet sushi”.
Maar het werkelijk slopende aspect is keigo, het uitgebreide systeem van beleefdheidsvormen dat bijna een taal op zich is. De manier waarop je een zin formuleert verandert volledig afhankelijk van je relatie tot de toehoorder: informeel tegen vrienden, beleefd tegen onbekenden, eerbiedig tegen superieuren. Zelfs Japanners worstelen met keigo in zakelijke contexten.
3. Arabisch – Keelklanken, dialecten en een verdwijnende standaardtaal

Het schrift van 28 letters wordt van rechts naar links geschreven, en de meeste letters veranderen van vorm afhankelijk van hun positie in een woord: begin, midden, einde of alleenstaand. Korte klinkers worden vaak niet geschreven, wat betekent dat je woorden moet “aanvullen” op basis van context.
De uitspraak bevat keelklanken die niet bestaan in Europese talen: de ayn en ghayn vereisen het gebruik van spieren in de keel die de meeste Nederlanders nooit bewust hebben aangesproken.
De grammatica werkt met een wortelsysteem waarbij drie medeklinkers de kern van een woord vormen en klinkers de betekenis modificeren. Maar het grootste struikelblok is misschien wel de vraag: welk Arabisch leer je? Standaard Arabisch (Fusha) is de formele schrijftaal, maar niemand spreekt het thuis. Egyptisch, Levantijns, Golf- en Marokkaans Arabisch zijn zo verschillend dat sprekers elkaar soms nauwelijks begrijpen.
4. Koreaans – Logisch schrift, onlogische grammatica

Het goede nieuws: het Koreaanse schrift Hangul is briljant ontworpen en kun je in een paar uur leren. Koning Sejong de Grote liet het in 1443 ontwikkelen zodat gewone burgers konden lezen en schrijven.
Koreaans is een agglutinerende taal: je stapelt achtervoegsels op een stam om tijden, stemmingen, beleefdheid en verbindingen tussen zinsdelen uit te drukken. De werkwoordsvormen kunnen tientallen varianten hebben.
Net als het Japans heeft het Koreaans een uitgebreid systeem van beleefdheidsregisters. Bovendien gebruikt het twee verschillende telsystemen (inheems Koreaans en Sino-Koreaans) die je door elkaar moet gebruiken afhankelijk van wat je telt. De uitspraak bevat onderscheidingen tussen geaspireerde en niet-geaspireerde medeklinkers die voor Nederlandse oren identiek klinken, maar voor Koreanen volledig andere woorden zijn.
5. Kantonees – Mandarijn met extra tonen
Als Mandarijn je al te moeilijk leek, wacht tot je Kantonees probeert. Deze taal, gesproken door zo’n 85 miljoen mensen in Hongkong, Macau en de Chinese provincie Guangdong, neemt alles wat Mandarijn moeilijk maakt en voegt er extra lagen aan toe.
In plaats van vier tonen heeft Kantonees er zes tot negen, afhankelijk van hoe je telt. De onderscheidingen tussen tonen zijn subtieler, waardoor het nog lastiger is om ze te onderscheiden en te reproduceren.
Het schrift is grotendeels hetzelfde als Mandarijn (traditionele Chinese karakters), maar de gesproken taal is zo anders dat Mandarijnsprekers en Kantonesesprekers elkaar niet kunnen verstaan.
Kantonees heeft ook behouden wat Mandarijn heeft verloren: eindmedeklinkers als -p, -t, en -k, die extra aandacht vereisen bij de uitspraak.
6. Hongaars – Achttien naamvallen en geen verwanten
Hongaars is een linguïstische buitenbeentje in Europa. Het is niet verwant aan de omringende talen – geen Slavische, Germaanse of Romaanse banden. De dichtstbijzijnde verwant is het Fins, maar de talen zijn zo ver uit elkaar gegroeid dat ze niet onderling verstaanbaar zijn. Dit betekent dat je vrijwel geen enkel woord zult herkennen wanneer je begint.
De grammatica is agglutinerend: je plakt achtervoegsels aan woorden om grammaticale relaties uit te drukken. Waar het Nederlands voorzetsels gebruikt (“in het huis”, “naar de winkel”), gebruikt het Hongaars achtervoegsels. Het systeem kent achttien naamvallen, elk met eigen uitgangen die veranderen afhankelijk van klinkerharmonie. Werkwoorden hebben twee verschillende vervoegingen (bepaald en onbepaald) die afhangen van of het lijdend voorwerp specifiek of algemeen is.
Een woord als “elnemzetietleníthetetlenségnek” – “met het oog op het niet-nationaliseren” – is grammaticaal correct en illustreert hoe lang Hongaarse woorden kunnen worden.
7. Fins – Vijftien naamvallen en woorden zonder einde
Fins heeft vijftien naamvallen die allemaal worden uitgedrukt via achtervoegsels. Het woord “talo” (huis) wordt “talossa” (in het huis), “talosta” (uit het huis), “taloon” (naar het huis), en zo verder. De keuze van naamval hangt af van subtiele betekenisverschillen – Fins maakt grammaticaal onderscheid tussen “in iets” en “op iets”.
De woordvorming via agglutinatie leidt tot legendarisch lange woorden. Het Guiness Book of Records vermeldt “epäjärjestelmällistyttämättömyydellänsäkäänköhän” als langste Finse woord, een constructie die ongeveer betekent “ik vraag me af of, zelfs met haar eigenschap van niet ontsystematiseerd te zijn gemaakt.”
Praktischer is dat Fins leenwoorden zo grondig aanpast aan de eigen grammatica en uitspraak dat je ze niet meer herkent. Het Engelse “strand” werd “ranta”, “school” werd “koulu”. Je kunt niet terugvallen op herkenbare vocabulaire.
8. Navajo – Zo moelijk dat het gebruikt werd als geheime code
Navajo, gesproken door ongeveer 170.000 mensen in het zuidwesten van de Verenigde Staten, is zo complex dat het Amerikaanse leger het in de Tweede Wereldoorlog gebruikte als onkraakbare code. De Japanners, die er in slaagden Amerikaanse militaire codes te breken, konden niets beginnen met boodschappen in Navajo.
De taal is polysynthetisch: hele zinnen kunnen in één woord worden samengeperst door voorvoegsels en achtervoegsels aan werkwoordstammen te plakken. Werkwoorden veranderen op basis van het onderwerp, lijdend voorwerp, en zelfs de vorm of consistentie van objecten – er zijn verschillende werkwoordsvormen voor het hanteren van ronde objecten, platte objecten, of vloeistoffen.
De toonhoogte is betekenis onderscheidend, net als in Mandarijn. Bovendien is de taal nauwelijks gedocumenteerd vergeleken met grote wereldtalen, waardoor leermaterialen schaars zijn.
9. IJslands – Vikinggrammatica, bevroren in de tijd
IJslands is de meest conservatieve Germaanse taal. Terwijl het Nederlands, Engels en Duits hun grammatica over de eeuwen hebben vereenvoudigd, heeft het IJslands de complexiteit van het Oudnoorse grotendeels behouden. IJslanders kunnen teksten uit de dertiende eeuw lezen met minimale moeite – probeer dat maar eens met Middelnederlands.
De taal heeft vier naamvallen (nominatief, genitief, datief, accusatief) die volledig productief zijn, drie grammaticale geslachten, en een uitgebreid systeem van sterke en zwakke werkwoordvervoegingen. Zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en voornaamwoorden moeten allemaal in getal, geslacht en naamval met elkaar overeenstemmen.
De Ijslandse taalzuiverheid betekent ook dat er weinig leenwoorden zijn: waar het Nederlands “computer” zegt, zegt het IJslands “tölva” (een samenstelling van “getal” en “zieneres”). Elke technische term moet worden geleerd; je kunt niet terugvallen op internationaal vocabulaire.
10. Russisch – Zes naamvallen en een onvoorspelbare klemtoon

Russisch is de meest gesproken Slavische taal en dient als opstapje naar andere Slavische talen. Maar dat opstapje is steil. Het Cyrillische alfabet is binnen een paar weken te leren, maar daarna beginnen de echte problemen. Russisch heeft zes naamvallen die elk woord in een zin beïnvloeden: zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en voornaamwoorden veranderen allemaal van vorm afhankelijk van hun grammaticale functie.
Werkwoorden komen in paren: vrijwel elk werkwoord heeft een imperfectieve en een perfectieve vorm die verschillende aspecten van de handeling uitdrukken. “Lezen” als doorlopende activiteit is een ander woord dan “uitgelezen hebben”. De klemtoon in Russische woorden is onvoorspelbaar en kan de betekenis veranderen, maar wordt niet in het schrift aangegeven. Je moet voor elk woord de klemtoon onthouden.
Het FSI classificeert Russisch in Categorie IV, wat betekent dat het ongeveer 1.100 uur kost om een professioneel niveau te bereiken – bijna het dubbele van Frans of Spaans.
De moeilijkheid van een taal hangt natuurlijk af van je uitgangspunt. Voor een Japanner is Koreaans relatief toegankelijk; voor een Arabischspreker is Hebreeuws herkenbaar. Maar voor wie opgroeide met Nederlands of Engels zijn deze tien talen de Mount Everests van de taalkunde. Het goede nieuws: duizenden mensen leren ze elk jaar met succes. Het slechte nieuws: er zijn geen snelkoppelingen.