Iedereen heeft een bloedgroep, maar lang niet iedereen weet welke. En dat terwijl je bloedgroep letterlijk een kwestie van leven of dood kan zijn bij een bloedtransfusie. Er zijn acht verschillende bloedgroepen, maar de verdeling is allesbehalve gelijk. In dit artikel ontdek je welke bloedgroepen het meest en minst voorkomen, waarom dat zo is, en wat de specifieke situatie in Nederland is.
Hoe werken bloedgroepen?
Je bloedgroep wordt bepaald door twee systemen: het ABO-systeem en de rhesusfactor. Het ABO-systeem kijkt naar de antigenen (eiwitstructuren) op je rode bloedcellen. Heb je A-antigenen? Dan heb je bloedgroep A. Heb je B-antigenen? Bloedgroep B. Beide? Bloedgroep AB. Geen van beide? Bloedgroep O (of “nul”).
Daarbovenop komt de rhesusfactor: een eiwit dat wel (+) of niet (-) aanwezig kan zijn op je bloedcellen. Combineer deze twee systemen en je krijgt acht mogelijke bloedgroepen: A+, A-, B+, B-, AB+, AB-, O+ en O-.
Je bloedgroep is volledig erfelijk bepaald. Je krijgt van elk van je ouders één gen (A, B of O), en de combinatie bepaalt je bloedgroep. A en B zijn dominant over O, wat betekent dat iemand met de gencombinatie AO bloedgroep A heeft. Alleen met twee O-genen heb je daadwerkelijk bloedgroep O.
Alle 8 bloedgroepen van meest naar minst voorkomend
Hieronder vind je alle acht bloedgroepen gerangschikt op basis van hoe vaak ze wereldwijd voorkomen. De percentages zijn gemiddelden; in verschillende landen en bevolkingsgroepen kunnen de verhoudingen flink afwijken.
1. O-positief (O+) – 39%
Ongeveer 39% van de wereldbevolking heeft bloedgroep O+. Hiermee is het de meest voorkomende bloedgroep ter wereld. In Latijns-Amerika loopt dit percentage zelfs op tot 53%. O+-bloed kan worden gegeven aan iedereen met een positieve rhesusfactor, wat het essentieel maakt in noodsituaties. Bloedbanken hebben chronisch tekort aan O+-bloed omdat het zo breed inzetbaar is.
2. A-positief (A+) – 28%
De op één na meest voorkomende bloedgroep. A+ komt vooral veel voor in Europa, waar het in sommige landen (zoals Oostenrijk, Denemarken en Noorwegen) de meest voorkomende bloedgroep is. Ongeveer 45-50% van de bevolking in deze landen heeft bloedgroep A. A+-bloed kan worden gegeven aan mensen met A+ of AB+.
3. B-positief (B+) – 21%
B+ komt relatief veel voor in Azië, waar tot 25% van de bevolking deze bloedgroep heeft. In India en Pakistan is bloedgroep B zelfs de meest voorkomende. In Europa en Noord-Amerika is B+ veel zeldzamer, met percentages rond de 9-10%. B+-bloed kan naar mensen met B+ of AB+.
4. AB-positief (AB+) – 5%
De “universele ontvanger”: mensen met AB+ kunnen bloed ontvangen van alle acht bloedgroepen. Dit is echter ook een van de zeldzamere bloedgroepen. AB+ komt het meest voor in Japan, delen van China en Korea, waar ongeveer 10% van de bevolking deze bloedgroep heeft.
5. O-negatief (O-) – 3%
De “universele donor”. O-negatief bloed kan aan iedereen worden gegeven, ongeacht hun bloedgroep. Dit maakt O- onmisbaar bij spoedgevallen wanneer er geen tijd is om de bloedgroep van de patiënt te bepalen. Slechts 3% van de wereldbevolking heeft deze bloedgroep, wat leidt tot constante tekorten bij bloedbanken.
6. A-negatief (A-) – 3,5%
A-negatief kan worden gegeven aan mensen met A+, A-, AB+ en AB-. De negatieve rhesusfactor maakt deze bloedgroep zeldzamer. In Europa komt A- relatief vaker voor dan in andere delen van de wereld.
7. B-negatief (B-) – 1,4%
Een van de zeldzaamste bloedgroepen. B- komt bij minder dan 2% van de wereldbevolking voor. Mensen met B- kunnen alleen bloed ontvangen van B- of O- donors, wat het vinden van een match lastig kan maken.
8. AB-negatief (AB-) – 0,5%
De zeldzaamste bloedgroep ter wereld. Ongeveer 1 op de 200 mensen heeft AB-negatief. Hoewel mensen met AB- van alle negatieve bloedgroepen kunnen ontvangen, is het vinden van een perfecte match een uitdaging. AB- is wel de universele plasmadonor: AB-plasma kan aan iedereen worden gegeven.
Bloedgroepen in Nederland: de verdeling
De verdeling van bloedgroepen in Nederland wijkt af van het wereldwijde gemiddelde. Nederlandse bloedbank Sanquin houdt nauwkeurig bij welke bloedgroepen voorkomen onder de Nederlandse bevolking. Opvallend is dat bloedgroep O in Nederland iets vaker voorkomt dan in veel andere Europese landen.
| Bloedgroep | Percentage in Nederland |
|---|---|
| O-positief (O+) | 39% |
| A-positief (A+) | 35% |
| O-negatief (O-) | 7% |
| A-negatief (A-) | 7% |
| B-positief (B+) | 7% |
| AB-positief (AB+) | 2,5% |
| B-negatief (B-) | 1,5% |
| AB-negatief (AB-) | 0,5% |
Samengevat: 47% van de Nederlanders heeft bloedgroep O, 42% heeft bloedgroep A, 8% heeft bloedgroep B en slechts 3% heeft bloedgroep AB. Ongeveer 84% van alle Nederlanders is rhesuspositief en 16% is rhesusnegatief. De meeste Nederlanders hebben dus O+ of A+, terwijl B- en AB- het minst voorkomen.
Waarom verschilt de verdeling per land en bevolkingsgroep?
Bloedgroepen zijn erfelijk, wat betekent dat de verdeling direct samenhangt met de genetische geschiedenis van een bevolking. Bloedgroep O wordt beschouwd als de oudste bloedgroep, daterend van de vroege jager-verzamelaars. Bloedgroep A ontstond later, toen mensen overgingen op landbouw, vooral in Europa. Bloedgroep B ontwikkelde zich in Centraal-Azië bij nomadische volkeren en verspreidde zich richting India en het Midden-Oosten. Bloedgroep AB is de jongste en zeldzaamste, ontstaan uit de vermenging van A- en B-populaties.
Dit verklaart waarom bloedgroep B veel vaker voorkomt in India (tot 40%) dan in Nederland (8%), en waarom bloedgroep A dominant is in Scandinavië maar zeldzaam onder inheemse volkeren van Zuid-Amerika, waar bloedgroep O tot 70% van de bevolking uitmaakt.
Maakt je bloedgroep uit?
Je bloedgroep is vooral cruciaal bij bloedtransfusies. Krijg je bloed van een incompatibele donor, dan kan je immuunsysteem de “vreemde” bloedcellen aanvallen. Dit kan leiden tot klontering, een allergische reactie of zelfs overlijden. Daarom bepalen ziekenhuizen altijd je bloedgroep voordat je bloed ontvangt, en probeert Sanquin bij voorkeur donor en ontvanger zo goed mogelijk te matchen.
De rhesusfactor speelt een speciale rol bij zwangerschap. Als een rhesusnegatieve moeder een rhesuspositief kind draagt, kan haar lichaam antistoffen aanmaken tegen het bloed van de baby. Bij een eerste zwangerschap levert dit zelden problemen op, maar bij volgende zwangerschappen kunnen deze antistoffen de rode bloedcellen van de foetus afbreken. Gelukkig bestaat hier tegenwoordig preventieve behandeling voor.
Daarnaast zoekt Sanquin specifiek naar donors met een niet-westerse achtergrond. Binnen bevolkingsgroepen komen namelijk bepaalde zeldzame bloedgroepvarianten vaker voor. Patiënten met sikkelcelanemie of andere aandoeningen die regelmatig transfusies nodig hebben, zijn het beste geholpen met bloed van een donor met een vergelijkbare genetische achtergrond.
